Het getal, en meteen de nuance
De Wereldgezondheidsorganisatie geeft in de zesde editie van haar handboek voor spermaonderzoek, uit 2021, drie waarden waar laboratoria mee werken: een volume van 1,4 milliliter, een concentratie van 16 miljoen zaadcellen per milliliter, en een totaal van 39 miljoen zaadcellen per zaadlozing.
Dat totaal, 39 miljoen, is het getal dat mensen zoeken. En het is bijna altijd het verkeerde getal om te onthouden, want het is geen gemiddelde.
Het is een vijfde percentiel. Het is de waarde waaronder 5 procent zat van een groep mannen bij wie de partner binnen een jaar zwanger werd. Met andere woorden: 95 procent van die vruchtbare mannen zat erboven, veel van hen ruim.
Een man met een gemiddelde uitslag zit dus een veelvoud hoger. Waar de meeste mannen daadwerkelijk uitkomen ligt eerder in de orde van honderden miljoenen per zaadlozing, en dat wisselt sterk.
Waarom de WHO deze getallen anders is gaan noemen
In de zesde editie stapt de WHO bewust af van de term referentiewaarde. Dat is geen woordenspel maar een correctie op hoe de vorige edities werden gebruikt.
Het probleem was dat één afkapwaarde als een slaag-zakgrens ging functioneren. Een man met 35 miljoen kreeg te horen dat hij 'onder de norm' zat, terwijl er in die groep mannen zitten die zonder enige moeite kinderen krijgen. En andersom: een uitslag boven de grens sluit een vruchtbaarheidsprobleem niet uit.
De verschuiving tussen de edities laat dat zelf ook zien. De vijfde editie uit 2010 gaf een volume van 1,5 milliliter, de zesde 1,4. Het totaal bleef op 39 miljoen, maar de vitaliteit ging van 58 naar 54 procent en de progressieve beweeglijkheid van 32 naar 30 procent. Getallen die schuiven wanneer je de referentiegroep uitbreidt, zijn geen natuurconstanten.
De praktische conclusie die de WHO zelf trekt: één uitslag zegt weinig, en het beoordelen van vruchtbaarheid vraagt om meer dan het aftikken van een percentiel.
Wat de uitslag laat schommelen
Bij dezelfde man verschilt de uitslag van keer tot keer aanzienlijk, en dat is de reden waarom laboratoria zelden op één monster afgaan.
De grootste factor is de tijd sinds de vorige zaadlozing. Meer dagen betekent meer volume en meer cellen. Daarom vragen laboratoria om een vaste onthoudingsperiode voor de test, doorgaans enkele dagen: zonder die afspraak vergelijkt u appels met peren.
Verder spelen koorts in de weken ervoor mee, want een flinke griep kan de aanmaak wekenlang beïnvloeden, en langdurige warmte rond de balzak. De aanmaak van een zaadcel duurt ongeveer tweeënhalve maand, dus wat u vandaag meet zegt iets over de omstandigheden van een kwartaal geleden.
Ook het opvangen van het monster telt: gaat het eerste deel verloren, dan mist u juist het deel met de hoogste concentratie.
Wat het niet zegt
Hier hoort de geruststelling, want de meeste mensen die dit opzoeken hebben geen kinderwens.
Het aantal zaadcellen zegt niets over hoeveel er naar buiten komt. Het volume bestaat vrijwel geheel uit vocht uit de zaadblaasjes en de prostaat; de cellen vormen daar een fractie van. Een royale zaadlozing kan weinig cellen bevatten en andersom.
Het zegt ook niets over uw testosteron, over uw zin in seks, over hoe lang u kunt, of over hoe de seks was. Die dingen worden door andere systemen geregeld.
En het zegt niets over te snel klaarkomen. Er bestaat geen verband tussen het aantal zaadcellen en de timing van de reflex. Wie op dit onderwerp uitkomt vanuit die vraag, kan dit hoofdstuk laten liggen.
Wanneer een spermaonderzoek zin heeft
Er is één duidelijke aanleiding: een kinderwens die na ongeveer een jaar onbeschermde seks niet is uitgekomen. Dan wordt spermaonderzoek onderdeel van het traject, samen met onderzoek bij de partner.
Een test doen zonder die aanleiding levert vooral onrust op. U krijgt een getal zonder context, in een verdeling die breed is en van dag tot dag schommelt, en de kans op een uitslag die u zorgen baart zonder dat er iets aan de hand is, is reëel.
Is er wel een aanleiding, ga dan via de huisarts. Die weet welke onthoudingsperiode het laboratorium wil, of het monster herhaald moet worden, en wat de uitslag betekent naast alles wat er verder speelt.
In het kort
- 39 miljoen is een vijfde percentiel, geen gemiddelde. Het is de waarde waaronder 5 procent zat van mannen bij wie de partner binnen een jaar zwanger werd. De meeste mannen zitten er ruim boven.
- De WHO noemt het bewust geen referentiewaarde meer. Eén afkapwaarde werd als slaag-zakgrens gebruikt, terwijl ze noch een probleem aantoont noch uitsluit.
- De uitslag schommelt sterk bij dezelfde man. Vooral door de tijd sinds de vorige zaadlozing. Daarom werken laboratoria met een vaste onthoudingsperiode.
- Wat u meet, gaat over een kwartaal geleden. De aanmaak van een zaadcel duurt ongeveer tweeënhalve maand, dus koorts of warmte van weken terug telt mee.
- Het aantal zegt niets over de hoeveelheid. Het volume komt vrijwel geheel van de zaadblaasjes en de prostaat. Veel vocht betekent niet veel cellen.
- Zonder kinderwens heeft testen weinig zin. U krijgt een getal zonder context uit een brede verdeling, en de kans op onnodige onrust is reëel.
Veelgestelde vragen
Hoeveel zaadcellen zitten er gemiddeld in één zaadlozing?
Het getal dat overal circuleert, 39 miljoen, is geen gemiddelde maar het vijfde percentiel uit de WHO-handleiding: 95 procent van de onderzochte vruchtbare mannen zat daarboven. Wat de meeste mannen daadwerkelijk hebben ligt een veelvoud hoger en wisselt sterk.
Wat is een normale concentratie?
De WHO hanteert 16 miljoen per milliliter als vijfde percentiel. Dat is een grens uit een onderzoeksgroep, geen norm waar u aan moet voldoen: de zesde editie stapt juist af van het woord referentiewaarde omdat één getal zowel een probleem niet aantoont als niet uitsluit.
Waarom verschilt de uitslag zo per keer?
Vooral door de tijd sinds de vorige zaadlozing; meer dagen geeft meer volume en meer cellen. Daarnaast tellen koorts in de weken ervoor en langdurige warmte mee, en de aanmaak van een zaadcel duurt ongeveer tweeënhalve maand.
Zegt de hoeveelheid sperma iets over het aantal zaadcellen?
Nauwelijks. Het volume bestaat vrijwel geheel uit vocht uit de zaadblaasjes en de prostaat, en de cellen zijn daar een fractie van. Een royale zaadlozing kan weinig cellen bevatten.
Heeft het aantal zaadcellen te maken met te snel klaarkomen?
Nee. Er is geen verband tussen het aantal zaadcellen en de timing van de ejaculatiereflex. Het zijn twee losstaande dingen.
Moet ik mijn sperma laten onderzoeken?
Alleen bij een aanleiding, en die is doorgaans een kinderwens die na ongeveer een jaar onbeschermde seks niet is uitgekomen. Ga dan via uw huisarts: die weet welke onthoudingsperiode het laboratorium wil en wat de uitslag betekent naast al het andere.
